Jouke.FamHofman.com

Grenzen overschrijden

(3 Januari 2009)

Grenzen opzoeken en er overheen gaan. Het staat synoniem aan nieuwe ervaringen opdoen en ervan leren. Dit keer echter in een wat breder concept dan de landgrenzen die ik tijdens mijn reis passeer. Ik ben tijdens een offroad-rit er voor het eerst hard afgegaan. Het was niet de eerste keer dat mijn motor op zijn zijkant tot stilstand kwam, maar het was tot nu toe beperkt gebleven tot omvallen met lage snelheden zonder lichamelijke of motorische schade. Ik reed een rit van de Capella Stampers door een prachtig bevroren en mistig landschap. De week daarvoor had ik al ervaring opgedaan met het rijden op bevroren grond met een ARM-rit en dat beviel me, zoals elke rit weer, goed.

Met mijn all-road motor rijd ik vaak naar de start van de rit toe. Deze dag moest ik om zeven uur 's ochtends vertrekken en werd al snel door hevige mist verrast. Met zeven graden onder nul bevroor deze mist spontaan op mijn vizier, waardoor ik met lage snelheid verder moest rijden. Dat ik daardoor een stuk later aankwam dan gepland mag duidelijk zijn. Heel begrijpelijk was ook dat de persoon met wie ik had afgesproken al van start was gegaan en ik op zoek moest naar mensen bij wie ik kon aanklampen. Gelukkig is de sfeer bij dit soort ritten altijd erg gemoedelijk en kon ik zo met twee anderen meerijden. Ze reden allebei lekker door en hadden een prima tempo te pakken, het ging mij niet te snel, maar gelukkig ook niet te langzaam.

Net als bij elke sport probeer je ook met de motorsport de grenzen op te zoeken. Je wilt jezelf verbeteren en je wil een bepaalde voldoening halen uit het rijden. Je balanceert op een evenwichtsbalk van rede. Regelmatig raak je uit onbalans en vaak lukt het dan nog, met wat zwaaien van je armen en flinke dosis van geluk, om weer recht op de balk terecht te komen. Maar soms...

De oorzaak is simpel, ik had situatie niet goed ingeschat en reed te snel. Het waren een paar smalle, diepe en vooral bevroren sporen waar ik in knalde. Eigenlijk is het nog een wonder te noemen dat ik zover kwam. Toen het spoor waar ik in zat van richting begon te veranderen probeerde ik, met een flinke dosis gas, eruit te komen en een beter spoor te pakken. Het lukte om het voorwiel buiten het spoor te krijgen en ik schrok niet van het feit dat mijn achterwiel in het begin niet mee wou, niks nieuws. Het achterwiel kwam uiteindelijk niet uit het spoor en helaas voelde ik dat mijn motor na verloop van tijd naar een kant begon over te hellen. Ik ging vallen en ik wist het. Ik weet zelfs nog dat ik tijdens mijn val dacht: "Ja, stom, eigen schuld." Hoe ik precies viel weet ik niet meer, dat ging te snel. Wel voelde ik dat ik ook op mijn bost belande en dat alle lucht uit mijn longen werd geperst. Ik raakte niet in paniek toen ik op de grond een tijd naar adem lag te snakken, dit gevoel kende ik van rugby. Na mijn adem weer gevonden te hebben, mijn ledematen gecontroleerd te hebben en de twee toegesnelde personen duidelijk gemaakt te hebben dat ik nog leef ben ik opgestaan. Pijn? Nee niet echt, dat is nogal een relatief begrip waar ik in de loop der jaren wel mee heb om weten te gaan. Pijnlijker was het aanzicht van mijn motor. Voorspatbord en de rechterkappen compleet verbrijzeld. Ik vreesde het ergste, helemaal toen bleek dat de radiator tegen de uitlaat aanhing. Maar, een XT(z) krijg je niet zomaar stuk. Een beetje heen en weer geduw en de radiator schoot weer in zijn goede stand en een druk op de startknop verloste mij al snel van het weemoedige gevoel. 60 Kilometers gehad, nog 140 te gaan.

Met pijn in mijn elleboog en ribbenkast was ik vooral bezig om de angsten, die mij volkomen nieuw waren, te overwinnen. De mensen met wie ik reed hadden gelukkig wat meer ervaring dan ik en wisten wat ik meemaakte. Ze reden in het begin met een, voor mij, gepaster tempo. Ik moest mijzelf weer wijsmaken dat met een beetje gas de meeste obstakels prima te overbruggen waren. Spelenderwijs leer je dan het best.

Hoewel ik mijn eigen vertrouwen snel terugwon merkte ik dat ik er met mijn gedachten niet helemaal bij was. Dit uitte zich misschien nog wel het beste toen we na 100 kilometer op een verharde weg stopte om te pauzeren. Er overkwam me iets waar ik, als het bij andere gebeurde, vaak enigszins spottend een oordeel over velde. Ik liet vanuit stilstand mijn motor vallen. Voor mij het signaal van geestelijke vermoeidheid. Maar, de stop waar warme erwtensoep klaar stond was niet ver meer verwijderd. Ik had voor mijzelf besloten om daar verstek te laten gaan en rustig over de snelweg terug te rijden.

Het mocht niet zo zijn. Op kilometer 120, zo'n vijf kilometer voor de stop kwamen we op een lekker pad terecht waar geen sporen van betekenis te bekennen waren. Op drie hele diepe sporen van een meter lang, na . Niet erg lang, eigenlijk niet eens een echte uitdaging te noemen. Toch ging het daar nog een keer mis. Ik zag ze alle drie op tijd. De eerste twee gingen prima, gas erop, voorwiel over het gat heen en je achterwiel zoekt het zelf wel uit. Het tweede spoor was blijkbaar zo diep dat mijn schertsplaat de grond raakte. Toen ik de laatste van die gaten zag aankomen wou ik eromheen rijden. Blijkbaar niet ver genoeg. Weer gevallen. Dit keer belande ik in wat zachtere bosjes, had niet direct pijn en kon weer snel opstaan. Weer mijn ledematen controleren, maar nu merkte ik een pijn in mijn rechterschouder. Ik kon alles nog bewegen en wou in ieder geval van dat pad af, naar de verharde weg waar ook een benzinepomp was. Maar met mijn schouder durfde ik de confrontatie met mogelijk nog zo'n gat niet aan. Gelukkig was ik niet alleen. Bij de benzinepomp vertoonde zich nog meer bezorgde en behulpzame gezichten. Ik kreeg een pijnstiller toegestopt en ik bleef na afscheid te hebben genomen van de mensen met wie ik meereed, nog even uitrusten bij de benzinepomp. De behulpzame dame aldaar heeft mij geholpen met mijn jas en na toezegging van mij, dat ik het wel zou redden heeft ze me laten gaan.

Na anderhalf uur was ik weer thuis. Eerst voorzichtig uitgekleed en gekeken of er wat te zien viel. Schouder was dik en leek enigszins ontzet. De bodyprotector had een duidelijk profiel achtergelaten op mijn schouder en arm. De wachttijd bij de huisarts besloeg zo'n twee en een haf uur, eerst maar eens lekker douchen. Bij de, door gevallen schaatsers geoccupeerde, huisarts werd ik, nadat hij nog even zijn bewondering had uitgesproken over de invloed van het protectievest, snel doorverwezen naar de röntgenafdeling op de spoedeisende hulp. Daar kreeg ik het verwijt dat ik eerder had moeten komen. Ze dacht dat mijn arm uit de kom was en hoe langer dat duurt hoe moeilijker het weer teruggaat, ook zij maakte de opmerking dat ik bij voorbaat blij moest zijn dat ik een vest droeg. De foto's kwamen al snel met het verlossende woord. Niks gebroken, maar de aanblik van mijn schouder en de overgebleven functionaliteit ervan wezen wel op een behoorlijke bloeduitstorting en opgerekte en ingescheurde banden. Maar ik leef nog. Net als mijn motor. En als ik Hans Stacey even mag citeren: "Ik voel hem behoorlijk, hij zit er dus nog aan."

JavaScript moet ingeschakeld zijn om de gallery te zien.

IMGP7914-5 IMGP7920-4 IMGP7923-7

Tweede foto is gemaakt voor de val, derde en vierde na de val.